Afscheid van De Pieter
Ongeveer een half jaar geleden begon hij af te vallen. Jim. Pieter. Jongie. De Roeie. Hij had meer namen, maar dat waren de meest gebruikte. Mijn vrouw lag toen nog in een kliniek waar ze herstelde van een coma. Ik liet haar foto’s van Pieter zien. Eet hij wel goed? vroeg ze. Jij, hij eet goed en drinkt ook, zei ik. Was het niet de oude dag? Pieter was vijftien jaar oud. Ga met hem naar de dierenarts, zei ze. Dat deed ik. Er was mogelijk iets mis met zijn nieren, zo bleek. Er was medicatie die kon helpen. Elke ochtend mengde ik een poedertje door zijn voeding. Zonder zichtbaar resultaat. Een reusachtige rode kater die ooit acht kilo woog, viel af tot iets meer dan vier kilo. Het vreemde was dat zijn gedrag niet veranderde. Hij was nog steeds Pieter. De Pieter. Hij had zijn vaste patronen. ‘s Ochtends naar buiten, de tuin in en de berg op. Dan terug naar huis om te ontbijten, samen met de twee andere katten Spaai en Sini (voluit: Sini Konijn). Dan het ritueel op de ontbijttafel. Mijn vrouw was inmiddels terug uit de kliniek en gaf hem een ‘botermesje’. Dat was een lievelingskostje: een flinke dot boter (Lurpak, gezouten) van de platte kant van een mes aflikken. Daarna een paar plukjes rookvlees of pastrami. Daarna beklom hij de trap om samen met Spaai een uurtje of twee op ons bed te slapen.
Maar hij bleef afvallen. Ik ging met hem terug naar de dierenarts. Mijn vrouw ging mee, hoewel ze nauwelijks kon lopen. Er werd een controle gedaan en daarna een scan. Tumor. Bij zijn maag. Het gezwel at zoveel energie dat er te weinig kracht voor Pieter overbleef. Dit kon niet genezen worden. Wat nu? Er was een medicijn dat kon helpen de groei van de tumor af te remmen en de eetlust op te wekken. Dat gingen we proberen. En het hielp. Even. Een paar weken. Pieter at, ging naar buiten, kwam terug, at, dronk en had zijn hele repertoire van geluidjes — prrrr — waarmee hij met ons communiceerde.
Er was ook een lichte gedragsverandering die voor mij heel ontroerend was. Pieter trok, zoals alle katten, meer naar haar toe dan naar mij toe. Maar nu kwam hij elke ochtend rond een uur of half zeven de slaapkamer in en sprong aan mijn kant op het bed. Dan ging hij even naast me liggen en begon te spinnen. Ik aaide hem en schrok steeds weer van hoe mager hij was. Ik voelde zijn rugwervel en botten. Ik viel weer in slaap en werd wakker omdat hij met een fluwelen pootje op mijn gezicht tikte. Dan moest ik opstaan en met hem naar beneden gaan om hem naar buiten te laten.
Ik ging weer met hem naar de dierenarts. Die zei dat Pieter niet onder de 4 kilo mag zakken. Ik mocht de medicatie verhogen. Als ik hem kon stabiliseren op 4 kilo, was dat goed, want hij had geen pijn. De tumor drukte nergens tegen. Er was geen lijden. Maar als hij zou gaan zwalken of niet meer op zijn achterpoten kon staan, moest ik komen, want dan was het beter om hem te laten gaan.
Vier dagen lang leek het goed te gaan, maar toen kon hij op een ochtend niet meer opstaan. En hij kermde. We huilden en zeiden: dit is het. Ik belde de dierenarts en maakte een afspraak. In de auto schreeuwde Pieter op een manier die ik nog nooit had gehoord. Ik zei tegen hem dat hij snel zou gaan slapen en nooit meer pijn zou hebben. Nooit meer.
De dierenarts was een jonge vrouw met een prachtige bos zwarte haren, bambi-ogen en een exotisch accent. Ze legde me uit wat ze ging doen. Ik weet het. Dit is niet de eerste keer, zei ik. De eerste injectie was bedoeld om Pieter in slaap te brengen. Je zag hoe de pijn zijn magere lijf verliet. Dat was een zegen, hoewel ik huilde. De dierenarts liet me alleen met Pieter en een doos tissues achter. Bedankt voor alle jaren dat je bij ons was, zei ik tegen de rode reus en kuste hem op zijn neus. Ik hield zijn achterpoten vast toen de dierenarts de tweede injectie gaf. Ze zette een stethoscoop op en luisterde naar de hartslag terwijl ze Pieter over zijn flanken aaide. Na tien minuten was het voorbij. Toen ik opkeek, zag ik dat zij, net als ik, huilde. Ik greep haar hand vast. Dit had ik nog nooit meegemaakt. Ik vroeg: wat is uw eerste taal? Perzisch, zei ze.
We legden Pieter in zijn kooitje en bedekten het met een handdoek. Ik bedankte haar. Ze opende de deur en ik liep naar buiten. Het was zomer, maar er waaide een koude wind. Thuis vertelde ik mijn vrouw hoe het was gegaan. En dat we het beste hadden gedaan voor onze Pieter. We huilden samen. Daarna kroop ik met het mandje de berg op en maakte ik een graf, niet ver van de plek waar ook Heer, de Mysterieuze Zwarte Meesterkat, begraven ligt. Daar ligt Pieter nu. Hij is weg, maar niet echt. Hij zit in onze herinneringen. Voor altijd. Totdat het onze tijd is.




Gecondoleerd, Johan. Maar prachtig verwoord. Alle huisdieren gaan naar de hemel, omdat ze in je eigen hart en herinneringen voortleven en daar altijd in hun beste zijn zullen bestaan.
Gecondoleerd Johan en Sterkte. Afscheid van huisdieren is heel verdrietig, we zijn er heel verbonden mee. En mooi verwoord, ik kreeg er ook tranen van in mijn ogen. Omdat ik me herken in jouw verdriet en omdat het ook de emotie opriep van mijn eigen afscheid van mijn drie vroegere Retrievers. En dus ook van het aanstaande van de huidige. Tijd heelt maar daarmee is de pijn en het verlies nu niet minder.